Overdenking op de drempel van het nieuwe jaar door Ad van Nieuwpoort
Bij Jesaja 21 : 11, 12 en Lukas 2
In zijn net verschenen boek ‘Wachten’ voert psychiater Dirk de Wachter een pleidooi voor het wachten als een levenshouding. ‘We kunnen niet meer wachten’, zo schrijft hij. Doenerige mensen zijn we geworden die menen alles naar hun hand te kunnen zetten. We staan voortdurend in de regelstand om dingen op te lossen en daardoor worden we zo opgeslokt dat we niet meer attent zijn op wat er gebeurt. Daardoor verliezen wij onze ontvankelijkheid, onze bedachtzaamheid. En daarmee ook onze waakzaamheid. Met dat wachten bedoelt De Wachter (hij doet zijn naam eer aan) niet een passief wachten, maar een open wachten. Hij heeft het geleend van de Joodse filosoof Emmanuel Levinas die spreekt van een: attendre sans attendu. En Levinas heeft het weer van Heidegger die het begrip Gelassenheitintroduceerde. Het is een wachten dat niet gericht is op een uitkomst, maar een wachten dat openstaat voor het onverwachte, voor iets dat wij helemaal gepland hebben of kunnen denken.
Over dat wachten gaat het ook in onze Jesajatekst. Er is iemand die iets roept. Het is als een smeekbede. ‘Hoever is de nacht?’ Zo wordt er geroepen. Het is een roept die komt uit Seïr, dat land van Ezau. En de profetie is gericht op Doema. Het land van Ismaël. Het is het land dat in duisternis wandelt. ‘Zwijgland’ zo zou je ‘Doema’ ook kunnen vertalen. Het land waarin men verstomd is. We konden het van de week zien in de ogen van die jonge jongen die drie jaar lang in een Russisch martelkamp heeft gezeten in de documentaire over het konvooi van Jaap Scholten en Tommy Wieringa. Stomgeslagen, vernederd, ontmenselijkt. Een paar uur hier vandaan. Poetins martelkampen. Maar we kunnen ook denken aan de verkrachte meisjes in Soedan die wezenloos langs de kant van weg zitten zonder iets en iemand. Of die moeder die zit bij haar tot puin gebombardeerde huis in Gaza. Stom en kapotgeslagen werelden.
Niemand zegt meer iets. Maar dan toch heel breekbaar uit de afgrond die smeekbede: ‘hoever is de nacht? Hoever is de nacht?’ En tot wie roepen ze? Wat is het adres van deze roep? Ja, ergens is er een wachter. Iemand die blijkbaar verder kan zien dan de duisternis. Iemand die verder durft te zien dan de duistere nacht. Het woord ‘wachter’ in het Hebreeuws zou je ook kunnen vertalen met ‘bewaker’, of ‘bewaarder’. Nee, niet iemand die even iets kan fixen. Iets kan regelen. Dat niet. Geen oplosmiddel. Maar wel iemand die openstaat voor wat ondenkbaar is. Namelijk dat de nacht ook nog wel eens een einde zou kunnen hebben.
‘Wachter, hoever is de nacht? Hoe lang moeten we nog?’ Die vraag die opkomt uit de puinhopen van het menselijk bestaan, is gek genoeg vol van hoop. Want ook die stem rekent ermee dat die nacht eindig is. Hij legt zich niet neer bij die nacht. Hij laat het er niet bij zitten. De hoop is de adem waarmee hij roepen kan. ‘Wachter, hoever is de nacht? De morgen komt, zegt de wachter. Maar het is nog nacht.’ Hoe kan die wachter dat weten? Zeggen dat de morgen komt, daar is wel lef voor nodig. Maar hij zegt het. Is het omdat hij diep van binnen weet dat de nacht niet het laatste woord kan hebben? Is dat wat hem draagt?
‘Hoever is de nacht?’ Met die roep gaan we het jaar uit. Er is alle reden toe met wat er op dit moment gaande is. En ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik heb zelf wel het gevoel dat het er deze dagen enorm op aankomt. Laten wij het doemdenken de vrije loop? Halen we eindeloos relativerend onze schouders op? Laten we ons meeslepen door de angstbeelden die over ons worden heengespoeld? Geven we de onderbuik de vrij baan? Of durven we het aan net als die wachter om onze oren te spitsen en verder te kijken dan wat ons naar beneden haalt? Durven we open te staan voor wat de nacht tegenspreekt? Laten we ons bemoedigen door degenen die wel geloven in dat het anders kan? Die niet buigen voor de tirannie van de leugen?
Bergje Hofstede heeft er in de correspondent een mooi essay aan gewijd. Deze tijd is rijp voor een morele herbewapening, schrijft ze. Anders dan wat ze er ooit mee bedoelden, maar het wordt tijd, schrijft ze, dat we teruggaan naar de grond van ons bestaan. ‘Wie vindt dat niet enkel macht (geld en geweld) mag zijn wat de waarde van een leven bepaalt, zal nu met een beter antwoord moeten komen. Een meer begeesterend antwoord. Een bodem waarop alle andere zaken, alle praktische ingrepen en alle politieke beslissingen, stevig kunnen worden gestoeld…’ Om die begeestering gaat het. Om de waarden die niet zomaar te organiseren zijn. Maar die zomaar gevonden kunnen worden door die wachtende open levenshouding waar Dirk de Wachter over schrijft.
Ook Simeon had er niet meer op gerekend. Hij zou sterven zonder het licht gezien te hebben. Maar ineens stond hij met dat kind in zijn armen. Het Jezuskind als een teken van licht dat duisternis overwint. Het is ‘the crack in everything’, zoals Cohen zong. ‘Thats how the light gets in’. Zo leven dat het licht de gelegenheid krijgt ons toe te schijnen. Al is het maar in een glimp. En zelf worden als een teken van dat licht. Laten we in het nieuwe jaar wachters worden. Wachters die verder kunnen kijken dan de nacht. Dat wens ik ons toe.
In goede machten liefderijk geborgen
Verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
Is zeker met ons elke nieuwe dag.