Welkom

Welkom
De Duinzichtkerk is een open huis van inspiratie en ontmoeting in Den Haag voor wie maar wil. Al meer dan negentig jaar komen hier mensen samen om wekelijks nieuwe inspiratie op te doen voor hun leven, hun werk en voor de wereld dichtbij en ver weg. Bron van inspiratie is het aloude Bijbelverhaal. In een wereld die gedomineerd wordt door de waan van de dag, heersende opinies en vooroordelen wordt wekelijks in dit verhaal een bevrijdende en hoopvolle tegenstem gehoord. In het verbinden van deze stem met de vragen van vandaag vinden op allerlei verschillende manieren velen elkaar in de Duinzichtkerk. Hartelijk welkom!
 
Volg Meelezen Volg Meelezen
 
                                   
Eerst volgende uitzending, woensdag 20 mei  14.00 uur, ds Ad van Nieuwpoort

Wat fijn dat u online meekijkt. Met veel aandacht en zorg maken wij de zondagse dienst. Wilt u hieraan bijdragen? klik hier
 
Deze Zondag

Deze Zondag
Kijk hier de dienst terug

Schuld en Vergeving


‘Onze cultuur lijkt zich deze dagen te bewegen tussen óf totale afrekening óf goedkope vergeving’, aldus de Amerikaanse theoloog Stephen Pope. Als het gaat over de wandaden van publieke figuren zitten we op het puntje van onze stoel. Maar hoe is het met onze eigen schuldvraag? Hoe gaan we om met de schuld van onszelf of met de schuld van een ander? Zetten we elkaar vast of zoeken we naar een weg van bevrijding? Hoe gaat dat zonder dat het gemakkelijk en goedkoop wordt?

 
lees meer »
 
Duinzichtgesprek Peter Kanne

Duinzichtgesprek Peter Kanne
 
Studiedag Bergrede

Studiedag Bergrede
Op dinsdag 2 juni organiseren Ad van Nieuwpoort en Franck Ploum (Ekklesia Breda) een studiedag in de Duinzichtkerk waar de Bergrede centraal zal staan. 

De tekst van de Bergrede heeft mensen van alle tijden weten te inspireren. Maar de tekst is ook controversieel, want ligt de lat hier niet erg hoog? Een wat te denken van het hele idee van naastenliefde voor de vijand en geweldloosheid in deze tijd van oorlog en onrust.
 
Franck Ploum neemt ons mee in een politiek-maatschappelijke lezing van de Bergrede. Hij bepleit dat de tekst niets aan actualiteit heeft ingeboet en ook ons oproept om te komen tot positiebepaling in onze tijd. Ad van Nieuwpoort zal zijn licht laten schijnen op verschillende onderdelen van de tekst. Samen met de deelnemers zoeken ze naar betekenis van deze oude tekst voor de schaarse tijden waarin wij nu leven.

Informatie en aanmelden bij info@duinzichtkerk.nl of 070 - 324 57 78
 
DuinzichtMuziek

DuinzichtMuziek
Klik hier om kaartjes te bestellen
 
RepairCafé RepairCafé
Op zaterdag 30 mei van 11.00 tot 13.00 uur is het Haagse Repair Café opnieuw te gast in de Duinzichtkerk. De vrijwilligers van het Repair Café repareren van alles, van stofzuigers tot Senseo’s, van textiel tot computers en van lampen tot keukenmachines.
 
Wilt u iets ter reparatie aanbieden, dan kunt u zich vanaf 13 mei aanmelden via het formulier op de website, www.repaircafedenhaag.nl (klik hier) Wees er op tijd bij, want het Repair Café is snel volgeboekt.

Uw inschrijving is pas definitief als u een bevestiging met tijdstip heeft ontvangen. U kunt slechts één voorwerp ter reparatie aanbieden. Zo kan het Repair Café zoveel mogelijk verschillende mensen helpen.
 
Een reparatie bij het Repair Café is gratis. Een vrijwillige bijdrage in de fooienpot wordt zeer gewaardeerd.
 
Terugblik Duinzichtgesprek Michel Krielaars

Terugblik Duinzichtgesprek Michel Krielaars

Op zondag 10 mei gaat Ad van Nieuwpoort in gesprek met Michel Krielaars over zijn laatste boek Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga. Michel Krielaars is historicus en was jarenlang chef Boeken van NRC Handelsblad en van 2007 – 2012 Rusland-correspondent van deze zelfde krant. Tegenwoordig is hij redacteur van de boekenredactie van NRC.

Dit gesprek wordt omlijst met Russische liederen door mezzosopraan Henriette Schenk en op accordeon Ellen Boers.

KIjk hier het Duinzichtgesprek terug

 
In de Media

In de Media

Vandaag, 4 april 2026 in Trouw. Lees hier en hier

Predikant Ad van Nieuwpoort: Durven we op te staan tegen een politiek die ons de afgrond in helpt?

Het verhaal van Pasen gaat in de kern over moed, betoogt predikant Ad van Nieuwpoort. En niet in de ‘spierballen-zin’, maar in de zin van bewogen raken.

Als we iets nodig hebben deze dagen, dan is het wel Pasen. Paasverhalen zijn vanouds geschreven om in de crisis mensen een hart onder de riem te steken. De Paasverhalen in de Bijbel komen voort uit het kernverhaal van de uittocht uit Egypte. En dat is niet zozeer een historisch verifieerbare geschiedenis, maar een verhaal met een universele zeggingskracht. Het gaat over mensen die zuchten onder de knoet van een tiran die er alles aan doet om degenen die hij ziet als een bedreiging voor zijn macht te vernederen en te ontmenselijken. En de grote vraag is wie de moed heeft om deze Tiran aan te spreken.

lees meer »
 
In de Media

In de Media
Afgelopen zondag was Ad vaan Nieuwport te gast in de pauscast van KRO-NCRV over het bestrijden van populisme.
Kijk hier de aflevering van de pauscast terug
Luister hier naar de pauscast
 
Vacature kerkelijk bureau

Vacature kerkelijk bureau
De Duinzichtkerk zoekt per 1 september een medewerker voor de bezetting van het
kerkelijk bureau. Het kerkelijk bureau neemt naast de koster een centrale plaats in bij het
functioneren van de Duinzichtkerk. De werkzaamheden zijn administratief van aard en
bestaan voorts uit ondersteuning van de predikant, van kerkelijke activiteiten en van
specifieke projecten.
 
lees meer »
 
Meelezen op woensdag

Meelezen op woensdag
Hebben de woorden van de bijbel echt niets meer te zeggen of krijgen ze de kans niet? Het zou kunnen dat de bijbelse teksten zo bedolven zijn onder allerhande vooroordelen en misverstanden dat het de loont nog eens opnieuw naar ze te luisteren. 

Daarom bijna elke week op woensdag: meelezen met de predikant. In een geconcentreerd uur wordt de tekst gelezen die in de kerkdienst op de zondag daarop centraal staat.

De eerst volgende meelezen is op woensdag 20  mei 14.00 uur

Wij lezen: 
Genesis 44 en 45

1)         Hij beval zijn opperhuismeester:
                        Vul de tassen van de mannen met eten
                        zoveel als zij kunnen dragen
                        en leg ieders zilver boven in zijn tas.
2)                    En mijn kelk, de zilveren kelk,
                        leg die in de tas van de kleinste
                        met het zilver waarmee hij graan heeft gekocht.
            Hij deed zoals Jozef had gesproken.
3)         Het werd morgen, het werd licht.
            De mannen werden heengezonden,
zij en hun ezels.
4)         Zij waren nog niet ver buiten de stad
            toen Jozef sprak tot zijn opperhuismeester:
                        Sta op,
                        ga die mannen achterna,
                        haal ze in en zeg tegen ze:
                        ‘Waarom hebben jullie in vredesnaam goed met kwaad vergolden?           
5)                    Is dit niet waaruit hij drinkt?
                        Doet hij hiermee geen waarzeggingen?
                        Kwaad is het wat jullie hebben gedaan!’
6)         Hij haalde ze in en sprak tot hen deze woorden.
7)         Ze zeiden hem:
                        Waarom spreekt mijn heer deze woorden?
                        Het zij verre van jouw knechten zoiets te doen.
8)                    Zie, het zilver dat wij boven in onze tassen vonden,
                        hebben we toch uit het land Kanaän naar jou teruggebracht?
                        Hoe zouden we dan zilver of goud stelen uit het huis van je heer?
9)                    Bij wie van jouw knechten het gevonden wordt,
                        hij zal sterven
                        en wij: wij zullen slaven zijn van jouw heer.
10)       Hij zei:
                        Zoals jullie gesproken hebben, zal het zijn:
                        bij wie hij gevonden wordt,
                        die zal mijn slaaf zijn,
                        jullie zullen vrijuit gaan.
11)       Haastig zette ieder zijn tas neer op de grond
            en ieder opende zijn tas.
12)       Beginnend bij de grootste en eindigend bij de kleinste doorzocht hij ze
            en hij vond de kelk in de tas van Benjamin.
13)       Toen scheurden zij hun kleren.
            Ze laadden ieder hun ezel weer op
            en keerden terug naar de stad.

14)       Juda en zijn broeders kwamen in het huis van Jozef,
            hij was daar nog.
            Zij vielen neer voor zijn aangezicht ter aarde.
15)       Jozef sprak tot hen:
                        Hoe hebben jullie kunnen doen wat jullie gedaan hebben?
                        Wisten jullie dan niet dat een man als ik waarzeggen kan?
16)       Juda zei:
                        Wat moeten wij nu nog zeggen tegen mijn heer,
                        wat zouden wij nog spreken en zeggen,
                        hoe ons rechtvaardigen?
                        God heeft de schuld van je knechten gevonden.
                        Zie, slaven zullen wij zijn van mijn heer
                        wij met hem in wiens hand de kelk is gevonden.
17)       Hij zei:
                        Het zij verre van mij dit te doen.
                        De man in wiens hand de kelk is gevonden
                        die zal mij tot slaaf zijn,
                        maar jullie:
                        ga heen in vrede, op naar jullie vader.

18)       Toen naderde Juda tot hem en zei:
                        Ach mijn heer,
                        moge toch uw knecht een woord spreken ten aanhoren van mijn heer
                        en ontvlam niet in toorn tegen uw knecht,
                        gij die gelijk zijt aan Farao.
19)                  Mijn heer heeft zijn knechten gevraagd:
                        ‘Hebben jullie nog een vader of een broeder?’
20)                  En wij zeiden tot mijn heer:
                        ‘Wij hebben een oude vader
                        en een kind van zijn ouderdom, de kleinste
                        wiens broeder is gestorven
                        van zijn moeder is hij alleen overgebleven
                        en zijn vader heeft hem lief.’
21)                  Toen hebt gij tot uw knechten gezegd:
                        ‘Laat hem afdalen naar mij
                        dat ik mijn ogen ophef naar hem.’
22)                  Maar wij zeiden tot mijn heer:
                        ‘de jongen kan niet weg bij zijn vader,
                        zou hij zijn vader verlaten, die zou sterven.’
23)                  Maar gij sprak tot uw knechten:
                        ‘Als jullie kleinste broeder niet met jullie afdaalt
                        zullen jullie mijn aangezicht niet meer te zien krijgen.’
24)                  En het geschiedde:
                        toen wij opgingen naar uw knecht, mijn vader,
                        hebben wij hem de woorden van mijn heer overgebracht.
25)                  Onze vader zei:
                        ‘Ga terug en koop nog wat te eten voor ons.’
26)                  Maar wij zeiden:
                        ‘Wij kunnen niet afdalen.
                        Alleen als onze kleinste broeder bij ons is, dalen we af
                        want wij kunnen het aangezicht van de man niet te zien krijgen
                        als onze kleinste broeder niet bij ons is.’
27)                  Uw knecht, mijn vader, zei tot ons:
                        ‘Jullie weten toch dat mijn vrouw er twee heeft gebaard?
28)                   De ene is weggegaan van mij
                        en ik zei: voorwaar, verscheurd, verscheurd is hij
                        en ik heb hem tot nu toe niet meer gezien.
29)                  Nemen jullie ook deze voor mijn aangezicht weg
                        en treft hem een ongeval
                        dan zouden jullie mijn grijze haar ten kwade doen afdalen
                        het dodenrijk in’.
30)                  Zou ik nu bij uw knecht, onze vader, aankomen
                        en zou de jongen, wiens leven zo met het zijne verbonden is,
                        niet bij ons zijn,
31)                  dan zal het geschieden:
                        als hij ziet dat de jongen er niet is,
                        dat hij sterft.
                        Dan hebben wij uw knechten het grijze haar van uw knecht onze vader,
                        in verdriet laten afdalen in het dodenrijk.
32)                  Hier, deze uw knecht staat borg voor de jongen tegenover zijn vader,
                        ik heb gezegd:
                        ‘Als ik hem niet bij jou terugbreng
                        dan ben ik geen dag zonder schuld tegenover mijn vader.’
33)                  Daarom, laat nu uw knecht hier blijven in plaats van de jongen
                        Als slaaf van mijn heer
                        en laat de jongen opgaan met zijn broeders.
34)                  Want hoe zou ik opgaan naar mijn vader,
                        als de jongen niet bij mij is?
                        Dan zou ik het kwaad dat dan over mijn vader komt niet kunnen aanzien.


45,1)    Toen kon Jozef zich niet meer bedwingen
            tegenover allen die om hem heen stonden,
            hij riep:
                        Naar buiten met allen die om mij heen staan!
            Niemand stond meer bij hem
            toen Jozef zich bekend maakte aan zijn broeders.
2)         Hij begon luidkeels te wenen.
            De Egyptenaren hoorden het
            het huis van Farao hoorde het.
3)         Jozef zei tot zijn broeders:
                        Ik ben Jozef!
                        Leeft mijn vader nog?
            Maar zijn broeders waren niet in staat hem te antwoorden,
            ze weken terug van voor zijn aangezicht, verbijsterd.
4)      Jozef zei tegen zijn broeders:
                   Kom toch naar mij toe, naderbij!
          En zij kwamen naderbij.
          Hij zei:
                   Ik ben Jozef, jullie broeder
                   die jullie verkocht hebben naar Egypte.
5)                Maar nu, wees niet bekommerd
                   laat het niet verschrikkelijk zijn in jullie ogen
                   dat jullie mij hierheen verkocht hebben
                   want tot behoud van leven heeft God mij voor jullie uitgezonden.
6)                Een tweetal jaren is er midden op de aarde nu al honger
                   en nog vijf jaar zal er niet geploegd en geoogst kunnen worden.
7)                God heeft mij voor jullie uitgezonden
                   om voor jullie een rest op aarde veilig te stellen
                   om jullie in leven te houden, voor een groots ontkomen.
8)                Nu dan, niet jullie hebben mij hierheen gezonden, maar God.
                   Hij heeft mij tot een vader voor farao gemaakt:
                   tot heer over heel diens huis
                   en leider over heel het land Egypte.
9)                Haast je, ga op naar mijn vader en zeg tegen hem:
                            ‘zo zegt je zoon Jozef:
                            God heeft mij gemaakt tot heer over heel Egypte.
                            Daal af naar mij, blijf niet stilstaan!
10)                       Je zult je vestigen in het land Gosen
                            je zult dichtbij mij zijn
                            jij, je zonen en de zonen van je zonen
                            je schapen en je runderen en alles wat bij je hoort.
11)                       Daar zal ik voor je zorgen
                            want nog vijf jaar duurt de honger.
                            Anders zul je verkommeren, je huis en al wat je toebehoort.’
12)                       Jullie ogen zijn het en de ogen van mijn broeder Benjamin
                            die zien dat het mijn mond is die tot jullie spreekt.
13)                       vertel mijn vader hoezeer ik van betekenis ben in Egypte
                            en alles wat je hebt gezien.
                   Haast je en laat mijn vader hierheen afdalen.
14)    Toen viel hij Benjamin, zijn broeder om de hals, en hij weende
          en Benjamin weende aan zijn hals.
15)    Hij kuste al zijn broeders en weende bij hen.
          Toen pas konden zijn broeders met hem spreken.

16)    Het nieuws werd gehoord in het huis van farao
          men zei:
                   De broeders van Jozef zijn gekomen!
          Goed was het in de ogen van farao en in de ogen van zíjn knechten.
17)    Farao zei tot Jozef:
                   Zeg tot je broeders:
                   ‘Dit moeten jullie doen:
                   bepak je lastdieren
                   en als je dan gaat en aankomt in het land Kanaän
18)              neem dan je vader en je huishouden mee
                   en kom naar mij.
                   Het beste van Egypteland zal ik je geven,
                   het vette van het land om te eten.’
19)              Geef hun ook deze oppdracht:
                   Dit moeten jullie doen:
                   Neem uit het land Egypte maar wagens mee
                   voor je kinderen en voor je vrouwen
                   voer je vader erop mee en kom!
20)              Je zult geen traan laten om je eigen spullen
                   want het beste van Egypteland, dat is voor jullie.’
21)    En zo deden de zonen van Israël het.
          In opdracht van farao gaf Jozef hun wagens     
          en hun proviand mee voor onderweg
22)    en aan allen gaf hij een stel schone kleren,
          Maar aan Benjamin gaf hij driehonderd stuks zilver en vijf stel schone kleren.
23)    Voor zijn vader zond hij dit mee:
          tien ezels, ze droegen het beste van Egypte,
          tien ezelinnen, beladen met graan en brood
          en maaltijden voor zijn vader, voor onderweg.
24)    Zo dan heeft hij zijn broeders heengezonden,
          en zij gingen.
          Hij zei nog:
                   En je geen zorgen maken onderweg!

25)    Zo gingen ze op uit Egypte
          en kwamen aan in het land Kanaän bij Jakob hun vader.
26)    Ze vertelden hem:
                   Jozef leeft nog!
                   Ja, hij is de leider van heel het land Egypte!
          maar zijn hart bleef er koud onder
          want hij geloofde hen niet.
27)    Zij spraken tot hem alle woorden van Jozef
          die hij tot hen had gesproken.
          En hij zag de wagens die Jozef had meegezonden om hem te vervoeren.
          Toen leefde de geest van Jakob hun vader op.
28)    Israël zei:
                   Genoeg
                   Jozef mijn zoon leeft.
                   Ik wil gaan en hem zien voordat ik sterf.



           
                       
lees meer »